Peeing in Amsterdam [amsterdam alternative #15]

I've always considered the phenomenon of the urinal in Amsterdam as an obvious sign that gender equality has not been achieved in this town. While the local government provides ample places to pee for men, hardly any public toilets are available for women. Strictly speaking, this gesture, which facilitates only half the population while the other half is explicitly, blatantly, excluded, cannot be called a public service. In fact, with all the current debates going on and decisions being taken by the national government and several major companies about gender neutrality, it is clear that the city of Amsterdam, which even fails to grasp the older concept of gender equality, is lagging behind.

beeld peeing in Amsterdam (20K)Whenever I come across one of those green ornamental iron 'curls' as they are called, I'm made acutely aware that I'm ignored and shut out on the basis of my gender, whether I actually need to pee at that moment or not. What is the municipality's reasoning behind this misogynist half-service? We all know that peeing is a necessity, for both men and women. So why are women and girls constantly told on the street that they don't need to pee, or, that, if they do, they can go do it somewhere else, that, in any case, their local government is not going to solve their problem while it does solve the problem for men? The subliminal message that women are given, in the public space of the city where they live, is that they simply, literally and quite physically, don't count.

Recently a young woman was tried and fined for peeing in public near the Leidseplein. In itself, this was not a remarkable fact since it is illegal for both men and women to pee in public. The discussion the woman successfully raised was about the lack of an alternative space for her to urinate. She had urgently needed to pee late at night, all the bars and restaurants had been closed and there had been simply no place for her to relieve herself. Interestingly, the (male) judge suggested that with a little imagination she could have made use of a urinal. In other words, she should have tried to fit the male standard that is obviously not equipped to facilitate her bodily needs and habits.(Squatting in a shady corner in public is a lot easier for a woman that trying to pee standing up in a urinal).

Most interesting about the judge's response to the woman's dilemma of where to pee, was his argument that there are less public toilets for women than for men - 'less' being an obvious euphemism: 35 toilets for men as opposed to 3 for women in the centre - because men are much more often found guilty of urinating in public. So, men committing the offence of peeing in public are rewarded with a municipal service, while women committing the same offence pay the fine and subsequently hold their water. The man's words were a precise reiteration of the phenomenon of the urinal itself. What they, the words of a judge, expressed to the young woman was: you don't count.

With 35 urinals in the town centre and only 3 toilets, it really can no longer be the case that men urinate more often in public than women. I sincerely hope it isn't. For me, I know the pleasure of squatting and peeing behind a wall, a disused building or in the bushes at the edge of a park, knowing that by doing so I don't only relieve myself but also mark my territory like a dog: this is my city too you fuckers! I practise it regularly, and will keep doing so as long as I need to.


De ondergang van het bottom-up initiatief [amsterdam alternative #14]

Als je ergens iets leest of hoort over bottom-up initiatieven, dan zijn het altijd 'burgers' die het initiatief nemen, nooit 'mensen'. En een burger is een wezen dat per definitie in relatie staat tot de overheid. Bottom-up initiatieven zijn dus aan de (lokale) overheid verbonden, ze beginnen bij individuele burgers en bewegen zich, zoals het samengestelde woord zegt, 'up', richting overheid. Er hangt vaak een zweem van onafhankelijkheid, van vrijheid, rond het in bezit genomen stukje land of het kleinschalige buurtfestival, maar een initiatief dat in zijn kiem een beweging 'up' meedraagt, is vanaf zijn ontstaan - of toch vanaf het moment dat de participatiemakelaar er lucht van krijgt - al bezig om onherroepelijk ingekapseld te worden in een of andere vorm van beleid.

beeld bottom-up initiatief (18K)Overheden zijn dan ook verzot op bottom-up initiatieven. Ze hoeven er niets voor te doen. Burgers komen er vanzelf mee aanzetten. Ideeën voor lokale beleidsvoering, die ook nog eens voortkomen uit wat de bewoners 'echt willen', worden hen aangereikt op een presenteerblaadje. En omdat het meestal om sympathie-wekkende acties en evenementen gaat, zoals buurtmoestuinen, local food festivalletjes of pop-up koffiebars, kunnen de rest van de burgers - degenen die zich niet actief organiseren in de buurt - er maar weinig tegenin brengen.

Een ander voordeel dat het bottom-up initiatief met zich meebrengt voor de overheid, is dat het een vorm van controle over de publieke ruimte biedt. Want waar een moestuin is, of een koffiebar, is in elk geval geen onbestemd en dus 'mogelijk gevaarlijk' terrein. Bottom-up initiatieven zorgen ervoor dat de publieke ruimte minder publiek wordt, d.w.z. minder toegankelijk voor iedereen. Als een groep mensen ingrijpt in de openbare ruimte om ergens bijvoorbeeld een ontmoetingspaviljoen met koffie te realiseren, is die ruimte niet langer werkelijk openbaar maar heeft hij een doel, is hij ingebed in een georganiseerd geheel.

Dat deze plekken worden afgesloten voor activiteiten die doorgaans door de overheid als 'niet wenselijk' worden beschouwd (zoals zomaar wat rondhangen of bier drinken dat je niet op een terras maar in de supermarkt hebt gekocht), is natuurlijk geen toeval. Want wie bepaalt welke activiteiten wel en welke niet mogen worden uitgevoerd op een bepaalde plek, en door welke groep burgers? Juist, de overheid. Een bottom-up initiatief is geen actie van een groep mensen die hoe dan ook, met of zonder instemming van de overheid, plaatsvindt. Dat is eerder een vrijplaats. Nee, voor een bottom-up initiatief is altijd toestemming van de overheid nodig. Zo wordt een bottom-up initiatief per definitie gesanctioneerd door de overheid. En zo zien we dat er van een terugtredende overheid ten behoeve van een grotere 'participatie' van burgers eigenlijk geen sprake is. Integendeel, burgers worden door middel van hun zelf aangedragen initiatieven voor het karretje gespannen van het beleid.

Inmiddels is het fenomeen van het bottom-up initiatief zelf onderwerp geworden van urban studies, stedelijke innovatiestrategieën en beleidsonderzoek, en is er een nieuwe beroepsgroep ontstaan: de stadmaker. Stadmakers initiëren bottom-up initiatieven en genereren aandacht voor een kleinschalige, betrokken manier van organiseren. Samen met (lokale) overheden onderzoeken zij hun eigen strategieën, een praktijk die op zijn beurt terminologie als innovatie, inspiratie, best practices, communities, empowerment enz. in het zonnetje zet, terminologie die naadloos aansluit bij de top-down beweging waarmee de overheid burgers wil verleiden 'mee te doen'.

Maar hoeveel mensen in een buurt doen er eigenlijk mee aan het 'redden' van de publieke ruimte? En hoe zit het met al die anderen, degenen die niet meedoen, die zichzelf geen 'actieve burgers' noemen? Hoe zit het met de mensen die liever nog wat onbestemde ruimte overhouden in hun buurt? De mensen die gewoon wat willen rondhangen, of hun bier drinken zonder meer? En de mensen die zich organiseren omdat ze samen iets willen doen, en die er voor waken dat het georganiseerde zich 'up' beweegt, de mensen die strijden voor het 'bottom to stay bottom' initiatief? Hoe zit het met de mensen die gewoon iets doen, ergens in de stad, en geen overheid die er iets mee te maken heeft?


Ode aan het gevaarlijke bosje [amsterdam alternative #12]

beeld ode aan het gevaarlijke bosje (19K)

Ze hadden niets te maken met 'groen in de stad', al waren het vaak groengebiedjes. Ze hadden niets te maken met parken, buurtmoestuinen, sierplantsoenen. Het waren vage plekken, plekken die overgebleven waren nadat de planners en bouwers hun werk hadden gedaan, restruimtes die ontstonden omdat andere ruimtes werden afgebakend als woonwijk, sportveld of industriegebied. Onttrokken aan beleid, aan afbakening en toe-eigening en invulling, werden het plekken van overschot en uitschot, plekken waarvan men zei dat het er gevaarlijk was, dat je er 's avonds niet alleen doorheen moest lopen.

Het waren plekken die altijd en voor iedereen toegankelijk waren, die in hun eigen kwetsbaarheid geen sluitingstijd kenden, geen economisch of educatief doel. Die geen mens, hoe desperaat ook, weerden. Van nature omarmend waren ze, bedekkend, de schaamte absorberend van iedereen die er, wanneer dan ook, met zijn ziel onder de arm toevlucht zocht. Je vond er condooms en tissues en sigarettenpeuken en lege bierblikken. Je vond er ook injectienaalden, en soms verregende matrassen, rollen wc papier en plastic zakken met stinkende kleren. Of restanten van hutten en vuurtjes. En altijd veel graffiti, als de plek ergens grensde aan een blinde muur.

Het waren plekken waar men grenzen overging. Plekken die de adolescenten herbergden, de jongeren die er hun krachtmetingen aangingen, truth or dare, niet met hun ouders en leraren maar met elkaar, 'wie durft er z'n hoofd te steken in het water van de vijver waar het bord 'botulisme' naast staat, wat krijg ik ervoor als ik het doe?' Brommertjes, eerste sigaretten, eerste seks. Plekken waar kinderen zich konden verstoppen, kinderen die op hun beurt zich onttrokken aan het gezag van de oudere zus want de zus was niet de moeder om zich ervan te vergewissen dat het gevaar bestond, en dat dit was wat men altijd bedoelde met 'avontuur'. Plekken waar mannen - heimelijk, zonder woorden - andere mannen betastten, en geen andere plek vonden om dat te kunnen doen.

Het waren plekken waar je niet mee hoefde te doen, waar je naartoe ging omdat je niet mee kon doen, waar je dat deed waarover thuis gezwegen werd. Plekken waar hokjes, klassen, functies, streefdoelen, in het niet vielen bij waar je nood aan had. En dat waar je nood aan had, in niets verschilde met dat waar de anderen nood aan hadden. Waar het verschil werd opgeheven, het verschil vervloog in de schaduw van het bladerdek dat, waar je ook mee bezig was, omhulde. Het waren plekken waar je, vroeg of laat, ooit een keer doorheen moest lopen.

Nee, ze hadden niets te maken met 'groen in de stad'. 'Groen in de stad' verdreef de vage plek met zijn 'veiligheid' en 'transparantie' en 'passend beleid'. Met de komst van 'groen in de stad' werden de kinderen angstvallig binnen de tuinperken gehouden en verlegden de adolescenten hun buitenissigheden naar het internet, 's avonds laat, na bedtijd, de rode ogen. De mannen deden hetzelfde. Truth or dare met tussen jezelf en het gewaagde het reflecterende computerscherm.

Wie durft opnieuw een plek in bezit te nemen, een plek van gevaar en afzondering en fysieke nabijheid, voorbij het computerscherm, voorbij de speeltuin van het opgekuiste park, wat krijg ik ervoor als ik het doe?


Pay Your Way to the Bottom [amsterdam alternative #11]

Yesterday I saw a woman opening an underground garbage container with a key card. Was it my imagination, or did some inner mechanism actually weigh the plastic bag she was disposing of before it dropped it onto the other trash with a thudding sound? When the brain encounters an unknown event, it searches for something to compare the experience to. What it (mine) came up with was the image of a confined monkey presenting its banana peel to a carer for inspection. The second, more frightening search result my brain delivered was the notion that this monkey could be me. If a fellow citizen was put in a situation in which she had to identify herself in order to dispose of her trash, it could as well be me.

beeld pay your way (13K) I had been walking in a social housing area near the waterfront of the Ij in Amsterdam Noord. Back home, across the water, I googled the phenomenon of the waste disposal card. It turned out that in the whole district of Noord, and only in that district, the garbage containers are locked and inhabitants are required to use a key card to open them. Why was this so? And why exclusively there? The only thing I could think of that sets Noord apart from the rest of the city is the water of the river. And the fact that the inhabitants are generally somewhat poorer than in other districts, though not poorer than in Amsterdam Zuid-Oost, a district that is also divided from the rest of the city, in that case by the land belonging to a different municipality. Though all this may reveal something about poverty and physical separation, it doesn't explain why the waste containers in Amsterdam Noord are locked.

The municipal website gives information about how inhabitants can 'apply' for a waste disposal card. They are required to fill in their name and address on an online form (email address and phone number are optional). People who have just moved to a rental in the neighbourhood can apply for a new card - the website keeps stressing that it's 'free' - if the previous tenants have not left theirs behind. The old card will then be made 'invalid'. It matters, apparently, who disposes of garbage.

Though extensive information is given about how inhabitants can obtain a waste key card, not a clue can be found as to why the municipality decided to instate controlled garbage disposal in Noord. No one took the trouble to spend a few words on the website to explain to the inhabitants why this system is operative, a system for which these inhabitants pay in the form of waste tax.

If a person disposes of a garbage bag in a waste container on a street corner in a neighbourhood, that person is probably an inhabitant of that neighbourhood. And what would it matter if that person was an inhabitant of another neighbourhood? What deep seated intolerance for the neighbour lies at the heart of this controlled waste disposal system? Exactly there where otherness matters least and privacy matters most, the municipality differentiates and exposes.

The monkey only goes along with the game if it is rewarded. Since the people in Amsterdam Noord have no choice - they'd be punished in the form of a fine if they disposed of their garbage in any other way - there is no need for a reward. Superfluously, the city gives waste disposal card holders treats for good behaviour anyway. They receive a discount for a visit to the 'A'dam Lookout', the skydek of the former Shell Tower on the waterfront. For 'only € 7,50' they are allowed a bird's eye view of the city. Or they are treated to a free movie at the Eye Film Institute next to the tower. Eerily, these rewards distract the inhabitants from anything to do with waste disposal: the cleanliness of the view from above, the picturesque, the imaginary immaterial space of film.

Now that the brain has processed the new phenomenon, it produces a more developed image: that of the end of humanity. On a cold day a soft wind is blowing over the spacious, desolate waterfront housing area. A woman appears, alone, carrying a plastic bag. Resigned, without a whisper of remonstrance, the woman slides a key card into a slot and has her plastic bag inspected through the system that she herself has been forced to pay for. And that's the end of it. Just like that. On a winter's day in Amsterdam Noord.


Krokusjes [amsterdam alternative #10]

beeld krokusjes 1 (15K)

Ik had moeten doen wat Auggie doet in de film Smoke. Als ik in de 15 jaar dat ik in mijn straat woon elke dag op hetzelfde tijdstip en vanop dezelfde plek een foto had gemaakt, dan had ik kunnen achterhalen waaruit die kleine sluipende veranderingen precies bestaan, wanneer ze begonnen, hoe de plek er eerder had uitgezien. Dan had ik op een bepaald moment iemand mijn albums laten zien waarin ik de duizenden foto's had bewaard en dan zou die persoon er snel doorheen bladeren en een beetje verbaasd opmerken dat de foto's allemaal hetzelfde waren, en dan zou ik hem zeggen dat hij langzamer moest bladeren, dat hij niet zijn ogen over meer dan 5000 foto's hoefde te laten glijden terwijl hij hier met mij aan tafel zat maar dat hij, door vaart te minderen, zou kunnen zien dat ze eigenlijk allemaal verschillend waren.

Want je vergeet hoe een voortuin, een gevel, een stoep er heeft uitgezien. Of de stoep 10 jaar geleden breder was dan hij nu is, of juist smaller. Of er meer fietsenrekken stonden, of minder. Je vergeet wanneer de ondergrondse vuilniscontainers kwamen en het beeld verdween van een straat met allemaal vuilniszakken aan de rand van de stoep waaruit je kon afleiden dat het dinsdag was. Of wanneer het renoveren van al die gevels ineens begon - was het eigenlijk wel ineens, een specifiek punt in de tijd, of is het eerder een continue lijn waarvan de oorsprong niet te achterhalen valt en die geen eindpunt heeft? Je vergeet wanneer het was dat de TE KOOP borden massaal aan de ramen van de huizen verschenen, en een tijdje later de meeste borden ook weer verdwenen. Wanneer de bloembakken tegen de gevels werden neergezet, en wat er dan daarvóór stond, of niet stond. Hoe lang het speeltuintje in het midden van de straat er al is, en of het bord 'verboden te voetballen' er altijd naast heeft gestaan. En al kijk je elke dag uit het raam, je vergeet hoe de voortuin aan de overkant geleidelijk transformeerde van een plaatsje met bemoste kiezels en wat onkruid waar de bewoners achteloos hun fiets neerzetten tot een geplaveid terras met sierpotten en rieten tuinmeubilair en een strak geverfd hekje eromheen waar op zaterdagochtend de bewoners hun latte drinken en de krant lezen.

Wat ik me wel duidelijk herinner als een specifiek moment in de tijd was de ontruiming van de kraakpanden in de straat, waarin jarenlang mensen hadden gewoond die op geen enkele manier contrasteerden met de andere bewoners. Ze betaalden geen huur, maar daar heb ik nooit iemand een bitter woord over horen zeggen. In die tijd vielen er steeds briefjes in de bus over betogingen tegen het kraakverbod, briefjes over solidariteit en 'dit niet zomaar over ons heen laten komen'. Bij de ontruimingen werd eerst de hele straat door de ME vakkundig ontdaan van voorbijgangers en mensen die in hun deuropening stonden te kijken. Je kon kiezen tussen naar binnen gaan of de straat uitgeveegd worden. Ik was samen met een aantal andere bewoners naar buiten gegaan, en ik herinner me de onberispelijk rechte lijn van donkerblauw over de volledige breedte van de straat die langzaam vooruit bewoog en alles wat er zich vóór hem bevond, gestaag vooruit duwde. Ik herinner me het zachte tikken van een knuppel tegen mijn billen, niet tegen mijn rug of mijn benen maar mijn billen, en het gemak waarmee ik mijn verontwaardiging onderdrukte: niet achterom kijken, je zult geen gezicht treffen, geen man of vrouw die aanspreekbaar is. Ik herinner me het lange staan in een groepje aan het eind van de straat, de krakers die één voor één uit het huis waar ze woonden werden geplukt en in een gepantserd busje gezet. Ik herinner me de opmerking van een Turkse jongen toen we het hadden over de legitimatieplicht die een tijd geleden - wanneer ook alweer precies? - was ingegaan. Hij verbaasde zich erover dat ik geen identiteitskaart of iets dergelijks bij me droeg. De vlotheid van zijn antwoord op mijn vraag waarom hij dat wel deed: "Oh, voor het preventief fouilleren weet je wel." Het gemak waarmee ook hij schijnbaar zijn verontwaardiging onderdrukte.

Bij gebrek aan een fotoarchief stel ik me voor dat die ontruimingen, en misschien meer nog de realiteit van het preventief fouilleren in de buurt, een periode inluidden van zware renovaties, van sociale huurwoningen die de koopmarkt op werden gedreven, van de komst van een 'buurtregisseur'. En van het planten van krokusjes. Te midden van de semipermanente bouwwerf die de straat was geworden - ik kan me de laatste vijf jaar (of zijn het er alweer zeven?) geen moment herinneren dat er geen Dixi wc-huisjes aan de rand van de stoep stonden, soms wel twee of drie tegelijk want elk sloop-, bouw- of zandstraalbedrijf brengt zijn eigen Dixi mee - te midden van die bouwwerf stonden op een voorjaarsdag ineens hele rijen krokusjes onder de heggen naast de stoep, rond het kinderspeelplaatsje en in de strook aarde tussen de fietsenrekken en de straat. Het bleek een initiatief te zijn van een van de bewoonsters, die subsidie had aangevraagd bij het stadsdeel voor een participatieproject, subsidie die ze blijkbaar had gekregen en gedeeld met andere bewoners voor de aanschaf van bloembollen en het gezamenlijk opfleuren van de straat. Mijn voormalige buurman, die een tijdje geleden verhuisde naar het gedeelte van de straat dat voorbij de kruising ligt (waar geen huizen in de steigers staan en de stoep niet is geplaveid met bloemen) vertrouwt me toe dat hij eerder weleens had deelgenomen aan zo'n participatieproject en dat hij dit jaar naar de borrel had willen gaan die daarbij afsluitend wordt gegeven maar dat hij niet was uitgenodigd omdat de subsidie alleen gold voor activiteiten door mensen die in het deel van de straat wonen dat vóór de kruising ligt.

beeld krokusjes 2 (16K) Later vielen er andere briefjes in de bus. Acties tegen het kraakverbod maakten plaats voor A4-tjes over overlast van fietsen die her en der op de stoep werden gezet in plaats van in de fietsenrekken of achter het eigen tuinhek. Want de aanblik van die fietsen was rommelig en bovendien moesten de kinderen veilig kunnen spelen in de straat, zo luidde de tekst op een van de manende kopietjes. Ik bedwong de impuls om een briefje terug te schrijven (met een kopie aan iedereen die in het gedeelte van de straat vóór de kruising woont): dat de straat weliswaar redelijk rustig is maar daarom niet verkeersvrij; dat we in een stad wonen en niet in een kinderspeeltuin; dat het aanvaarden van 'rommel', van wat de ander doet dat je zelf niet zou doen, een voorwaarde is om te overleven in zo'n straat; en of het eigenlijk wel de kinderen zijn die zo'n last hebben van geparkeerde fietsen op de stoep? … Ik zou als paria door het leven moeten als ik dit soort ideeën bij mijn buren door de brievenbus duwde.

Inmiddels heeft de halfjaarlijkse 'tuintjesdag' een heuse folder met kleurenfoto's: "help mee als oude en nieuwe bewoners met 4000 bloembollen planten in de straat!" Ik weet niet wat ik me moet voorstellen bij 'oude' en 'nieuwe' bewoners. De enige verschuiving die hier heeft plaatsgevonden, is die van voornamelijk sociale huurwoningen naar een aanzienlijk groter aantal koopwoningen. Zouden die bloembollen serieus bedoeld zijn om wat het stadsdeel verwacht aan mogelijke onvrede tussen huurders (oud?) en kopers (nieuw?) te sussen? Ook met de Nationale Opruimdag is de straat gretig van de partij. De laatste keer zag ik mijn voormalige buurman samen met een paar andere mensen in een fluorescerend geel veiligheidshesje blaadjes en papiertjes van de grond prikken. Ik ontweek zijn blik en maakte dat ik de straat uit kwam. Ik heb het opgegeven om te opperen dat rommelig toch ook zo zijn charme heeft als de zoveelste buurtbewoner uitroept hoe 'leuk!' al die bloemetjes zijn, om uit te spreken dat de oprukkende keurigheid een levensstijl oplegt die eigenlijk niet de mijne is als weer eens iemand tevreden keurend midden op de niet-autovrije straat naar een gevel staat te kijken en zegt hoe 'fijn!' het is dat alles weer eens in de verf is gezet. 'Ja, het was wel nodig, die renovatie. Véél beter zo. Ja, het is al zeker 10 jaar niet gebeurd, als het niet al veel langer is.'

Een tijdje geleden reed een Marokkaanse jongen met zijn fiets over de stoep waar ik liep. De jongen reed zo hard over de smalle doorgang dat hij mij als vanzelf tegen een van de goed onderhouden heggetjes duwde. Sweet 15 heeft een krantenwijk en er is niemand die zo dom moet zijn om hem daarbij ook maar iets in de weg te leggen. De vrouw die in het huis achter de heg woont, komt meteen naar buiten en begint hem te manen dat hij niet steeds zijn fiets tegen die heg moet aangooien, dat de heg daaronder lijdt. Dat ik tussen zijn fiets en de heg zit geklemd, lijkt haar niet zo te deren. Ze heeft op een moment gewacht dat ze de jongen niet in haar eentje hoefde te confronteren, een moment waarop een ander slachtoffer van zijn gedrag zich wellicht zou opwerpen als haar bondgenoot. Hij negeert haar volledig. Ook ik negeer haar. Als hij door wil rijden, houd ik zijn bagagedrager vast en probeer hem duidelijk te maken dat hij mij niet zomaar de heg in kan duwen. Hij kijkt om. Bij de aanblik van mijn hand die op zijn bagagedrager rust, knapt er iets in hem. Als een wild paard begint hij aan zijn eigen fiets te snokken, waarbij de zware tas met kranten langzaam van de bagagedrager afglijdt. Hij schreeuwt het uit, van "IK DOE NIETS VERKEERD" tot "JE MAG MIJ NIET AANRAKEN" tot "JE MOEDER IS EEN HOER". Tussen de gekneusde heg en het bord 'verboden te voetballen' schreeuwt en schreeuwt hij met alles wat hij in zich heeft. De buurvrouw is zonder een woord weer naar binnen gegaan. Op het moment dat hij overgaat tot een hysterisch en herhaaldelijk "GA WÈG!" voel ik dat ik hem eigenlijk alleen maar gelijk kan geven. Ik kan me niet verzetten tegen zijn gegil. Een woedend, ongecontroleerd 'GA WÈG!', dat is het enige passende antwoord op alle barrières die hem worden opgeworpen. Het antwoord ook op de glimmende tuinhekken en de bloemetjes en de fluorescerende hesjes. Ik zou zo met hem mee kunnen schreeuwen. Ja, we zouden het samen uitgillen, en als woestelingen alle krokussen uit de grond rukken. We zouden de tuinhekken aan stukken slaan, en het rieten tuinmeubilair de openbare stoep opslepen. We zouden zijn stapel kranten op een smeedijzeren tafeltje leggen, zodat iedereen die een exemplaar wilde, er zo een kon nemen. We zouden samen verraden worden door de buren, en de buurtregisseur zou eraan te pas komen, en we zouden ons niets van hem aantrekken, de Marokkaanse jongen en ik.